DE KOLONISATIE

‘Moet jij ook niet eens naar huis?’
Simon bergt zijn laptop op en kijkt Freek vragend aan.
‘Ja, zo…,’ mompelt Freek, terwijl hij in zijn telescoop blijft turen.
Simon haalt zijn schouders op en trekt de deur van het lab achter zich dicht.
Freek schrikt op van het geluid van de deur en kijkt om zich heen. Rare jongen toch, die Simon, dat hij nooit even meldt dat hij naar huis gaat.
Hij kijkt op zijn horloge en ziet dat het bijna etenstijd is. Uit zijn tas vist hij een plastic zakje met twee verlepte boterhammen. Hij had ook naar huis kunnen gaan om een ei te bakken, maar thuis wacht er niemand op hem. Bovendien moet hij om bij zijn huis te komen, een gebied doorkruizen dat sinds enkele weken wordt gekoloniseerd door de walvissen.
Bijna machinaal kauwt hij zijn boterhammen weg en kijkt ondertussen bedenkelijk naar het lege plastic boterhammenzakje.

Plastic. Het leek al die jaren zo’n fantastisch product. Veelzijdig. Relatief goedkoop te produceren. Alleen wist niemand wat er met het afval moest gebeuren en er belandden grote hoeveelheden in zee. En daar wisten ze er wel raad mee.
Vier jaar geleden was Freek, samen met Simon en nog drie andere wetenschappers, naar voren geschoven als Nederlands aandeel aan de onderzoeksgroep International Investigation Deep Sea Threats. Met zo’n honderd wetenschappers had hij de taak gekregen om ‘mogelijke dreiging’ vanuit zee te onderzoeken. Destijds ging het nog om onschuldige verschijnselen; plastic dat spoorloos verdween en eens in de zoveel tijd spoelden er vreemde plastic bouwwerken aan.
Freek stopt abrupt met kauwen. Hoorde hij nou gekras aan de deur?
‘Simon?’
Hij komt op uit zijn stoel en loopt voorzichtig naar de deur. Nog voor hij daar arriveert, slaat deze open.
Freek had bang moeten zijn, op z’n minst geschrokken, maar verwondering maakt zich van hem meester. Zo zien ze er dus van dichtbij uit.

Het was nu enkele maanden geleden dat de eerste walvissen aan land waren gekomen. International Investigation Deep Sea Threats was zwaar onder vuur komen te liggen.
Zij, die miljoenen kregen om de dreiging vanuit zee te onderzoeken, hadden deze opmars niet voorzien. Vreedzaam namen de walvissen menselijk gebied in en omdat de communicatie tussen mens en walvis niet zo soepel verliep, wist eigenlijk niemand wat ze hier precies kwamen doen. Dierenorganisaties verwelkomden hen met open armen, maar menigeen was toch wel van mening dat ze zo snel mogelijk weer terug de zee in moesten. 
Freek wist niet goed wat hij ervan moest denken. Hij voelde zich nietig in vergelijking met de grote beesten, maar had ondertussen ook een fascinatie ontwikkeld voor hun aanpassingsvermogen. Zeer recentelijk had hij een monster weten te bemachtigen uit het bolvormige voorhoofd dat de walvissen kenmerkt, en hierin was hij een gen op het spoor gekomen dat er waarschijnlijk voor zorgde dat de walvissen in staat waren plastic om te zetten in allerhande uitvindingen die het menselijk brein te boven gingen. Zo waren de walvissen er inmiddels in geslaagd een constructie van plastic te bouwen, waarmee ze op het land konden overleven en zich net zo snel konden verplaatsen als een auto.

Voor Freeks neus staat zo’n constructie. Met een walvis erin. Verwonderd kijkt hij in het donkere oog, dat kleiner is dan hij had verwacht. Een fractie van een seconde voelt Freek zich verbonden, alsof ze elkaar begrijpen. Dan rijdt de walvis het lab binnen en slaat met één beweging van zijn staart het hele lab aan gort. Even nog hoopt Freek dat de vernielingen een gevolg zijn van het onhandige postuur van de walvis, tot hij de staart zijn kant op ziet komen.