de vis die niet zwemmen kon

Zes jaar geleden is het nu, dat ik haar voor het laatst zag. Gelukkige tijden waren het toen. We zaten met z’n allen in de afbladderende muur, maakten af en toe uitstapjes naar de boekenkast om aldaar lekker te snacken, en leefden een zorgeloos bestaan. Tot we opeens die dozen in het vizier kregen. In eerste instantie was iedereen nieuwsgierig en blij. Nieuw terrein om te verkennen, en het zag er nog heerlijk uit ook!

Maar toen begonnen de dingen zich te verplaatsen. Meestal midden op de dag, als we net lekker lagen te slapen. De boeken waar we tussen zaten belandden in de dozen. De stapels papier waar we zo lekker tussendoor konden schuifelen, werden beweeglijke velden waar bij tijd en wijle iemand vanaf glibberde. De continue veranderingen zorgden voor veel onrust binnen de familie, dat kun je wel zeggen. Was het niet omdat er geregeld iemand tijdelijk kwijt was, dan wel om de territoriale kwesties die het opriep, over waar iedereen woonde en wie bij wie in bed lag.

Gelukkig dook iedereen uiteindelijk wel weer op. Meestal met de wildste verhalen over wat ze in hun afwezigheid hadden meegemaakt. Sommigen beweerden zelfs dat ze onder het vloerkleed hadden vertoefd, maar eerlijk gezegd geloofde ik daar maar weinig van. Desalniettemin hield ik Mitsie goed in de gaten. We waren toch al onafscheidelijk – de rest noemde ons ook wel grappend de zustervisjes – en ik moest er niet aan denken om m’n zusje langdurig te moeten missen.

Mitsie vond mijn bezorgdheid maar onzin.
‘Ach maak je niet zo druk, zus. Beetje verandering is goed! Dat houdt ons scherp.’
‘Scherp waarvoor?’
‘Gewoon, voor het leven.’
‘Ik wil graag dat het leven blijft zoals het is.’
‘Wat ben je toch een saaie muts, Betsie. Soms snap ik echt niet dat we uit dezelfde leg eitjes komen.’
Had ik maar beter naar mijn bezorgdheid geluisterd.

Ik zit hier nu al uren. Denk ik. Misschien zijn het inmiddels al wel dagen. Ik loop en loop, en iedere keer als ik een uitgang denk te hebben gevonden, maakt de grond een hoek van negentig graden naar boven. Normaal gesproken geen probleem; wij zilvervisjes draaien onze pootjes niet om voor lopen tegen muren. Maar dit is niet zomaar een muur. Dit materiaal is gladder dan ijs. Iedere keer als ik een poging waag, glij ik net zo hard weer naar beneden. Ik word er moe en moedeloos van. Was Mitsie maar hier, dan had ze me op kunnen vrolijken.

Mitsie was nieuwsgierig. Iedere nacht trok ze erop uit om een andere doos te verkennen. Vaak ging ik mee. Niet zozeer omdat ik graag op avontuur wilde, maar meer om een oogje in het zeil te houden. Toegegeven: die grote dozen volgepakt met boeken smaakten heerlijk. Terwijl ik meestal ergens aan de rand lekker zat te knabbelen, maakte Mitsie er een sport van om zo diep mogelijk in de doos door te dringen. Ze zei dat het papier daar lekkerder was en probeerde me vaak te verleiden om met haar mee te gaan. Maar ik vond dat er iemand op de uitkijk moest blijven staan, om te zien wanneer het weer licht werd, zodat we op tijd terug konden keren naar de veiligheid van ons nest in de muur.

‘Mitsieeee, ik zie het licht worden. Kom je zo naar boven?’
‘Ja, ja, nog heel even. Er steekt hier net een lekker krantenartikel tussen een boek uit.’
‘Dat krantenartikel is er morgen ook nog wel, laten we gaan. We komen morgen wel weer ter…’
Het gebeurde in een split second. Een schaduw viel over me heen en de doos kwam plotseling in beweging. Ik probeerde me met alle macht aan de kartonnen flap vast te grijpen, maar ik kon niet voorkomen dat ik eraf gleed. Verbijsterd bleef ik in het tapijt achter, terwijl ik de doos uit het zicht zag verdwijnen.
‘Mitsie?’

Tegen beter weten in liep ik urenlang te zoeken naar de doos, ook al was het klaarlichte dag. Het kon me niet meer schelen, ik moest Mitsie terugvinden. Aan het eind van de dag zat ik uitgeput op precies dezelfde plek als waar ik aan het begin van deze afschuwelijke dag de doos met Mitsie erin had zien verdwijnen. Het besef begon bij me in te dalen. Er was maar één manier om Mitsie terug te vinden. Ik moest in zo’n zelfde doos gaan zitten en hopen dat die naar dezelfde plek als die van Mitsie werd vervoerd. En aldus geschiedde.

Althans. Deel één van het plan. Die nacht nog beklom ik een doos en zocht een plekje waar ik op de ochtend wachtte. De nacht duurde lang, zo zonder Mitsie. Het gepieker over waar ze nu zou zijn maakte dat ik niet kon genieten van al het heerlijks om me heen. Ten langen leste werd het licht, maar niet voor lang. De doos ging dicht, het werd weer donker, en ik voelde de doos in beweging komen. Op hoop van zegen.

Deel twee van het plan was minder succesvol. Ik had verwacht, gehoopt, dat ik Mitsie snel terug zou vinden op haar geur. Ik herken haar geur uit duizenden. Maar er waren twee problemen. Ten eerste was de habitat waarin ik nu was beland enorm. Ik wist simpelweg niet waar ik moest beginnen met zoeken. En ten tweede waren er nog die rare doosjes. Ik kwam ze om de haverklap tegen en ze verspreidden zo’n penetrante geur dat ik de rest van de dag niks meer rook. Maar ik bleef zoeken.

Zo dool ik nu al zes jaar lang rond. Vaak nacht en dag. Ik heb niet eens echt meer de hoop om haar terug te vinden, het is meer een rusteloze routine waarin ik ben vervallen. Maar er lijkt nu toch een einde te komen aan mijn dwalende missie. Niet omdat deze is geslaagd, maar omdat ik vastzit in deze gladde kooi. Af en toe sukkel ik even weg, maar schrik dan al snel op uit mijn onrustige dromen, waarin Mitsie me luidkeels roept.

En dan opeens is daar die klodder wit schuim. De scherpe geur van munt. Ik zie en ruik niks anders dan het alomvattende witte schuim waarin ik nu gevangen zit. Ik spartel met mijn pootjes maar vind nergens grip. Ik hoor hem eerder dan ik hem voel: de harde waterstraal die me meezuigt. Ik probeer me niet eens meer te verzetten. In een witte wolk glij ik van deze wereld af, de duisternis in. Wie weet zie ik Mitsie daar eindelijk terug.