WAAR HET NIET GAAN KAN

‘Fuck, jongens, het is weer zover!’
De kaalslag is weer begonnen. Los van lengte, dikte of kleur wordt iedereen met de huid gelijkgemaakt. We zijn er inmiddels wel op voorbereid dát het gebeurt, maar weten nooit precies wanneer. Dat maakt dat we in constante angst leven. En we krijgen de boel wel weer opgebouwd, dat is het punt niet, maar het kost veel bouwstoffen, om nog maar te zwijgen over de energie die er dagelijks weer in gestoken dient te worden.
‘Godver, kan iemand zien hoe ver ze al is? Hoeveel tijd hebben we nog?’
‘De enkel is al kaal. Ik denk nog een halve minuut.’
Grote vlokken wit schuim maken verdere communicatie onmogelijk. Ieder raakt geïsoleerd in een wolk van minuscule belletjes die nauwelijks geluid doorlaten. Het enige wat nu rest, is wachten. Wachten tot het jouw beurt is om zo dicht mogelijk bij de wortel afgesneden te worden, om vervolgens in een viezig drabje in het doucheputje te verdwijnen. 

Uit het niets voel ik een snijdende pijn in mijn middel. De paniek die mij overmeesterde toen dit voor het eerste gebeurde, blijft uit; ik weet dat dit tijdelijk is.
Er heerst stilte. Een uitgestrekte vlakte, zo glad als een slangenhuid waarop de waterdruppels ongehinderd hun weg naar beneden vinden. Haar hand maakt aaiende bewegingen om te controleren of ze niks is vergeten. De vlakte wordt in duisternis gehuld door de broek die ze aantrekt.
Ik voel me afgestompt. Ik weet dat ik nog leef omdat ik nog steeds voedingsstoffen uit haar binnenste opzuig. Dit betekent dat de wederopbouw direct is begonnen.
De stilte drukt op me als een verstikkende deken en de duisternis vreet zich langzaam naar binnen. Ik begin dingen te zien waarvan ik weet dat ze er niet zijn. Het enige dat me rust geeft, is dat dit is hoe het hoort te gaan. Zo gaat het iedere keer. De uren verstrijken en ik hou me gedeisd. Een andere optie is er niet.
Ook de stemmetjes in m’n hoofd die zeggen dat het nu wel erg lang duurt en die zich af beginnen te vragen of ik dan nu misschien definitief ben gekortwiekt, zijn niets nieuws. Dit moet je negeren, om niet gek te worden.

Ik weet niet meer precies vanaf welk moment ik me echt zorgen begon te maken. Ik begon me net als eerdere keren steeds sterker te voelen, ik voelde mezelf langer worden, maar deze keer bleef de doorbraak uit. Het bleef donker en er was geen teken van leven om me heen.
Het werd geen dag en het werd geen nacht, dus ik had geen idee hoeveel tijd er was verstreken. Gezien de lengte die ik inmiddels weer had aangenomen, moesten het dagen, misschien wel weken zijn geweest.
Ik voelde me gevangen in het nauw omsluitende vlees en er ontstond irritatie tussen mij en de substanties om me heen. Mijn aanwezigheid hoorde hier niet; ik was hier te veel. Ik groeide maar door, omdat ik niks beters kon bedenken en erachter kwam dat ik niet níet kon groeien.

Op het moment dat ik het al niet meer verwacht, wordt het opeens weer lichter. Zo abrupt als de doorbraak normaal gesproken is, zo geleidelijk vind ik nu mijn weg naar buiten. Ik strek me uit en besef dat ik in jaren niet zo lang ben geweest.
Ik kijk om me heen en zie tot mijn ontsteltenis dat er net weer een kaalslag moet hebben plaatsgevonden; ik ben de enige op de hele vlakte. Hoeveel kaalslagen zou ik hebben gemist? Ondanks de droevige aanblik van mijn omgeving, geniet ik van de frisse lucht om me heen.
Het duurt niet lang voor de eerste stoppels zich weer beginnen te vertonen. Her en der verschijnen zwarte stipjes en als sterren aan de hemel worden het er steeds meer naarmate ik langer kijk.
‘Jeetje, daar ben je eindelijk weer! We dachten al bijna dat we je voorgoed kwijt waren.’
Ik moet me een eindje naar beneden buigen om te zien met wie ik het genoegen heb.
‘Ha buurman, fijn je weer te zien. Ik zat onderhuids vast.’
‘Ach, dat meen je niet! Wat een nachtmerrie. Daar heb ik veel gruwelverhalen over gehoord. Gelukkig zelf nooit meegemaakt. Het verhaal gaat dat aan de overkant eens velen tegelijk onderhuids zijn gegaan door een bot mes. Wat een rotzooi dat heeft gegeven… De hele vlakte lag open.’
‘O, echt joh?’
‘Ja, geen idee in hoeverre het waar is, hoor, maar het schijnt voor haar ook geen pretje te zijn als we onderhuids blijven steken. Jeuk en dat soort ongein.’
Ik heb opeens een plan, een belachelijk plan. Ik richt me in volle lengte op en richt me tot alle gestaag groeiende stoppels, van enkel tot knie en daarboven.
‘Jongens, luister, het is tijd voor actie…’

Ze kon zich nog goed herinneren hoe enthousiast ze vorige week was tegen haar moeder.
‘Ik weet niet wat het is, misschien m’n nieuwe scheerschuim, maar ik heb vier dagen geleden m’n benen geschoren maar nog steeds geen stoppels op links. Echt ideaal! Was het op rechts ook maar zo…’
‘O, dat lijkt me heerlijk, voor altijd gladde benen. Wat is dat dan precies voor scheerschuim?’
Ze had haar ontdekking met haar moeder gedeeld en daarna hadden ze samen gekookt en een wijntje gedronken.
Die avond was het jeuken begonnen. Het was zo heftig dat ze er wakker van werd. Haar linkerbeen leek van top tot teen in brand te staan. Het gekke was dat er niets vreemds te zien was. Haar linkerbeen was nog steeds heerlijk glad, terwijl haar rechterbeen wel weer aan een scheerbeurt toe was.
Een week later was er niets meer over van die triomfantelijkheid. Ze ging inmiddels niet meer naar haar werk en slapen lukte ook niet echt meer. Het enige dat de jeuk enigszins verlichtte was een ijskoud bad. Maar daar kon ze ook niet mee aan de gang blijven want het kostte veel water en bovendien kreeg ze er weke billen van. Het werd tijd voor een bezoekje aan de huisarts.

We gaan goed, we gaan lekker. Het is vrijwel iedereen gelukt om na de laatste kaalslag onderhuids te blijven. De eerste week was voor iedereen zwaar geweest, eenzaam en benauwend. Maar we groeien zo hard dat we elkaar onderhuids inmiddels weer tegen zijn gekomen. Verstrengeld in elkaar spreken we elkaar moed in.
Mijn plan werkt. We zijn niet langer de ongenodigde gast, maar nemen de boel over. Met een niet te stoppen strijdlust tieren we welig, om bloedvaten heen; spieren, pezen en zelfs botten nemen we probleemloos over. En het blijft niet bij het been. We woekeren het hele lijf door. We zijn machtiger dan ooit, groeien harder dan ooit.

Haar dochter had haar op het hart gedrukt de reservesleutel alleen in noodgevallen te gebruiken, maar ze had nu al tijden niks van haar gehoord en ze nam haar telefoon niet op, dus dit leek inderdaad een noodgeval.
Ze duwt de deur van het appartement open, maar die blijft halverwege steken door de hoeveelheid post die aan de andere kant ligt. Met lichte krachtinspanning krijgt ze de deur ver genoeg open om naar binnen te glippen. Ze roept zachtjes de naam van haar dochter, maar geen reactie. Onzeker speurt ze de kamers door; geen teken van leven.
De vuile vaat staat te verschimmelen in de keuken en het ruikt muffig in huis. In de badkamer ligt een uitgeknepen tube tandpasta. Ze voelt aan de haartjes van de tandenborstel maar deze zijn droog. Van wie is die tweede tandenborstel eigenlijk? Ze sprak haar dochter ook veel te weinig over zaken die er echt toe deden.
Achter het douchegordijn staat een bus scheerschuim. Ze opent de bus en ruikt eraan. Dit is het scheerschuim waar ze het de laatste keer dat ze elkaar zagen over hadden. Ze was er zelf nog niet aan toe gekomen om het uit te proberen.
Ze spuit een beetje op haar hand en smeert het goedje uit tot het begint te schuimen. Niets bijzonders op het eerste oog. Ze loopt naar de wasbak om het schuim af te spoelen en werpt een vluchtige blik in de spiegel. Het duurt even tot het beeld doordringt. Geschrokken kijkt ze nog eens. De spiegel lijkt te zijn bezaaid met barstjes die de spiegel in duizenden stukjes verdeelt. Waarom had ze geen nieuwe spiegel gekocht?
Langzaam brengt ze haar gezicht dichter bij de spiegel. Of zijn het nou ontelbare haartjes?
Met een ruk draait ze haar gezicht om. Ze hoorde een vreemd geluid uit de slaapkamer komen. Op haar tenen sluipt ze richting de slaapkamer en blijft in de deuropening staan. Als ze haar oren spitst, hoort ze het af en toe; een knerpend en tegelijkertijd zoemend geluid. Nu ze de kamer aandachtiger bekijkt ziet ze het dekbed lichtjes golven.
Met ingehouden adem schuifelt ze naar het bed en slaat de deken open. Geschrokken deinst ze achteruit. In de kuil van het matras ligt een gigantische kluwen pikzwart haar knisperend te kronkelen.